10
‘Ik moet dit eigenlijk niet zeggen,’ zei de directrice van Givens & Associates terwijl ze haar slanke vingers uitspreidde om de stapel papieren op haar bureau recht te leggen. Ik zat kaarsrecht op de hardhouten stoel aan de andere kant van haar bureau en durfde amper adem te halen. Ze bekeek me nog eens goedkeurend, en ik was blij dat ik vandaag mijn zwartgrijze Prada-pak had aangetrokken hoewel het laatste waar ik vanmorgen bij het aankleden aan dacht, was geweest dat ik de professionele magie ervan nodig zou hebben. Ik bedankte in stilte mijn betrouwbare neurotische gen dat ervoor zorgde dat ik altijd voorbereid was; ik zou hem belonen met een dagplanner.
‘Maar ik denk dat je hier erg goed zou passen,’ zei mevrouw Givens langzaam en ze knikte er licht bij met haar hoofd, alsof ze haar eigen mening wilde bijvallen. Ze had zo’n indrukwekkend zachte stem waarvoor je je best deed om elk woord te horen.
‘Dank u,’ zei ik. Ik glimlachte terug op een manier waarvan ik hoopte dat het bescheiden maar zelfverzekerd was, maar mijn hart beukte in mijn borst. Ik kon amper geloven dat dit echt gebeurde. Het was woensdag, drie dagen na Alex’ verlovingsfeest, en mijn leven viel zo snel op zijn plek dat het onwerkelijk leek. Ik was alleen maar bij dit kantoor – het grootste reclamebureau in D.C. – langsgegaan om mijn cv af te geven. Het persoonlijke element was belangrijk en ik dacht dat ik, door het eigenhandig aan de receptioniste te geven, een kleine voorsprong zou hebben op de andere kandidaten voor de vacature van accountmanager. Misschien zou de receptioniste mijn cv boven op de stapel leggen, of tegen haar baas zeggen dat ik geen massamoordenaar had geleken. Wie had kunnen weten dat Cynthia Givens zelf zich net door de lobby naar de lift haastte op het moment dat ik erin stapte, en dat toen ik mijn arm uitstak om te zorgen dat de liftdeur niet dicht zou gaan ze me aan zou kijken en zeggen: ‘Dank je. Je wilt niet weten hoeveel mensen dat tegenwoordig niet meer doen’?
Haar haar was nu korter en ze had een bril op, maar ik had mijn huiswerk gedaan en herkende haar meteen van de foto op haar website. Ze was de oprichtster van het beste reclamebureau van D.C., het bureau dat boven aan mijn lijstje stond van plekken waar ik wilde werken.
Tegen de tijd dat de lift de vijftiende verdieping bereikte, had mevrouw Givens vluchtig mijn cv doorgelezen terwijl ik me als een gek belangrijke info uit haar bio probeerde te herinneren die ik de avond ervoor op haar website had gelezen. Ze was het bedrijf vijftien jaar geleden begonnen met vijfduizend dollar en één werknemer. Haar bedrijf had vier Super Bowl-commercials gemaakt en had onder andere Sprite en Snickers in zijn klantenbestand. Ze sprak drie talen vloeiend, had kantoren in Hongkong en Londen en er was onlangs een artikel over haar verschenen op de voorpagina van Advertising Age.
Terwijl ik tegenover haar zat in haar kantoor, wierp ik steelse blikken om me heen in een poging ook maar het kleinste stukje persoonlijke informatie te vergaren dat ik kon gebruiken om een goede indruk te maken. Als ze zo’n lompe presse-papier van klei had die kinderen op de peuterschool maakten, of een bos bloemen in een vaas, kon ik haar een compliment geven, of een ingelijste foto… Maar nee. Haar kantoor was verstoken van prullen en persoonlijke elementen. In haar bio had niks gestaan over een echtgenoot of kinderen en ze droeg geen trouwring.
Mevrouw Givens zelf – ik kon het me niet indenken dat ik haar Cynthia zou noemen – zat met de rechte houding van een ballerina op haar stoel. Ze droeg een zwart pak en haar enige sieraden waren een fijn gouden kettinkje met diamantjes en een Chopard-horloge. Ze had smaakvolle, minimale make-up op en haar bewegingen waren precies en doelbewust. Alles aan haar schreeuwde: ‘Geld! Succes! Macht!’ Of liever, fluisterde dat met een beschaafde, op een kostschool opgeleide, stem.
‘Ik bedoel, jouw werk voor die luchthavencampagne…’ zei mevrouw Givens en ze liet haar woorden wegsterven toen ze de advertentie uit mijn portfolio pakte om haar aandachtiger te bestuderen.
‘Het aantal passagiers nam binnen twee weken na lancering van de advertentie met veertien procent toe,’ zei ik vlug en ik haalde een vel papier met de relevante cijfers uit mijn aktetas en schoof hem over het bureau naar haar toe.
Ze knikte weer.
‘Heb je nog vragen voor mij?’ vroeg ze terwijl ze haar vingertoppen tegen elkaar legde.
Eentje maar, dacht ik: hoe krijg ik uw leven?
Alles in haar gigantische kantoor glansde. Haar leren bank zag eruit alsof die nooit de vernedering had ondergaan door een achterste te zijn aangeraakt. Op haar bureau stond alleen een computer die zo dun was dat een supermodel er jaloers op zou zijn en lag de stapel precies recht liggende papieren die ik al eerder noemde. Zelfs de vakbladen lagen met zakelijke precisie in een waaier op de salontafel.
Voordat ik antwoord kon geven – ik moest een vraag hebben, anders zou ik te wanhopig overkomen – klopte er iemand op haar open deur.
‘Sorry dat ik stoor.’
Het was een gezette vrouw van in de veertig – ongeveer even oud als mevrouw Givens – en ze keek echt verontschuldigend en oogde een heel klein beetje bang. Ze wierp een vluchtige blik op me. Mevrouw Givens knikte krachtig en zei: ‘Zeg het maar.’
‘Kaitlin is er nog niet,’ zei ze heel zacht. ‘Ik denk niet dat ze vandaag nog komt.’
Mevrouw Givens toonde geen enkele emotie; ze kneep alleen haar ogen ietwat dicht.
‘Bel onmiddellijk het uitzendbureau en zorg dat ze een vervanger sturen,’ zei ze. ‘Laat weten dat als het met deze ook niks wordt, we definitief niet meer met ze werken.’
De vrouw verliet voorzichtig het kantoor terwijl mevrouw Givens naar voren leunde en haar telefoon oppakte. ‘Jocelyn, schakel al mijn telefoontjes door naar de balie en beman die terwijl we deze puinhoop proberen op te lossen. En je moet een vlucht voor me boeken naar Hongkong voor na mijn speech in San Francisco morgen. Daarna ga ik op de terugweg bij ons kantoor in Londen langs. Onaangekondigd, dus vertel ze niet dat ik kom.’
Mevrouw Givens wachtte niet op antwoord en hing op. Ze zuchtte voordat ze haar aandacht weer op mij richtte.
‘Zo begin ik mijn dag liever niet,’ zei ze en ze wreef even over haar slapen. Ik vroeg me af waarom ze zulke personeelskwesties zelf afhandelde. Daar had ze toch haar assistente voor? Misschien was haar assistente niet zo zelfstandig, in dat geval was Kaitlin niet de enige die op zoek moest naar een nieuwe baan.
‘Personeelskwesties zijn altijd ingewikkeld,’ zei ik meelevend. ‘Ik had bij Richards, Dunne & Krantz twintig mensen onder me en ik weet hoe belangrijk het is om werknemers te hebben die consciëntieus zijn.’
‘Waarom ben je daar weggegaan?’ vroeg mevrouw Givens.
Hier was ik op voorbereid.
‘Een familielid werd ziek’ – mijn kortstondige gekte telde als een geestesziekte – ‘en ik wilde dichter bij huis zijn. Maar ik kan u verzekeren dat mijn werk er nooit onder geleden heeft en ook nooit onder persoonlijke kwesties zal lijden.’ Het was eigenlijk maar een halve leugen. Een leugen light. Ze zouden het in het schap met dieetproducten moeten verkopen, dan konden vrouwen kijken hoeveel calorieën hij bevatte vergeleken met smoesjes en leugentjes om bestwil.
Mevrouw Givens knikte, stond toen abrupt op en stak haar hand uit.
‘Bedankt,’ zei ze. ‘Ik ben een paar dagen de stad uit. Kun je maandag over een week om twee uur langskomen? Ik wil je graag nog een keer spreken en ik wil dat de president-directeur van ons bureau je ontmoet.’
Maandag over een week zou mevrouw Givens ook de tijd geven om mijn referenties te checken, maar meneer Dunne had het me beloofd. Hij had het belóófd.
Ik moest niet te gretig lijken. Mevrouw Givens moest denken dat andere bedrijven me ook wilden hebben. Ik dacht even na, schoof in gedachten met mijn schema om een gaatje te maken, en glimlachte toen. ‘Maandag over een week is prima,’ zei ik. ‘Ik kijk ernaar uit.’
Haar telefoon ging. Ze keek ernaar en ik zei vlug: ‘Ik kom er zelf wel uit.’
Ik was nog niet eens bij haar deur of ze was al in gesprek met een klant en had een eetafspraak voor die avond gemaakt. Toen ik de gang in liep, brak er een enorme glimlach op mijn gezicht door. Ik wist het zeker: ik kreeg deze baan. Mevrouw Givens was niet het type dat tijd verspilde. Ze zou me niet terugvragen voor een tweede gesprek tenzij ze serieus in me geïnteresseerd was.
Ik liep door de gang richting mijn gelukslift en kon nauwelijks de neiging om te huppelen onderdrukken. Zodra ik dit gebouw uit was, zou ik rechtstreeks naar het mooiste restaurant gaan dat ik kon vinden en een extra grote cappuccino met een chocoladebroodje bestellen om het te vieren. Ik zou vanmiddag evengoed nog wel een headhunter bellen zoals ik van plan was geweest – je kon nooit zorgvuldig genoeg zijn – maar ik voelde aan mijn water dat dit kat in het bakkie was. Ik vóélde het gewoon.
Ik was voorbestemd om hier te werken. Alles wat ik over dit bedrijf wist, was in overeenstemming met mijn levensplan: de overzeese kantoren; het selecte, indrukwekkende klantenbestand; de eersteklas plek in een gebouw aan K Street, in het centrum van de hoofdstad. Ik zou in het creatieve team beginnen en binnen een halfjaar zou mevrouw Givens zich afvragen hoe haar bureau het zo lang zonder mij had kunnen stellen. Dachten ze in New York dat ik hard werkte? Ze hadden nog niets gezien. Ik kreeg een tweede kans en ik wist hoe zeldzaam die waren. Deze zou ik niet door mijn vingers laten glippen. Ik zou hem zo stevig vastgrijpen dat hij nooit meer los zou komen.
Vlak voordat ik weer bij de receptie kwam, passeerde ik een deur naar de toiletten. Geef mijn zenuwen de schuld, maar plotseling moest ik echt heel nodig. Ik ging naar binnen en keek in de spiegel – gelukkig, er had geen stukje koek tussen mijn tanden gezeten tijdens het gesprek – en dook daarna een hokje in. Zelfs de toilethokjes waren hier mooi. Ze waren van vloer tot plafond gesloten en de muren waren betegeld met wat handgeschilderd Italiaans porselein leek. O ja, ik kon heel snel weer aan dit leventje wennen.
Ik zat nog steeds te glimlachen toen ik de deur open hoorde zwiepen.
‘Ze loopt toch niet achter ons aan?’ vroeg een vrouw.
‘Volgens mij niet,’ antwoordde een andere vrouw. ‘Maar als we hier langer dan een minuut binnen blijven, stuurt ze waarschijnlijk de bloedhonden op ons af.’
Die stem… die had ik net gehoord. Het was de assistente van mevrouw Givens. De onzelfstandige vrouw. Ik verstarde in het hokje.
‘Morgen gaat ze weg,’ zei een andere vrouw. ‘Dan hoeven we ons niet meer op de toiletten te verstoppen.’
‘Maar voor een paar dagen,’ kreunde de assistente. ‘Ze zal vier uur in San Francisco doorbrengen en belt me vast elk uur. Daarna gaat ze twee dagen naar Hongkong. Wie gaat er nou voor twee dagen naar Hongkong? Duurt het niet alleen al twee dagen om heen en weer te vliegen?’
‘Ik weet hoe je haar kan kwellen,’ zei de collega. ‘Een van haar tijdschriften scheef leggen.’
De twee vrouwen barstten in lachen uit.
‘Omdat ze zelf geen leven heeft, wil ze ook niet dat iemand anders dat heeft,’ zei de assistente. ‘Echt ongelooflijk dat ik moest smeken om vrij te krijgen voor de schooluitvoering van mijn zoontje. Ik moest vrijdag langer blijven om het te compenseren.’
‘Is ze lesbisch?’ vroeg de collega. ‘Dat vraag ik me altijd af.’
‘Wie weet,’ zei de assistente, ‘ze krijgt nooit persoonlijke telefoontjes en ze werkt elke avond tot laat door. Volgens mij is ze aseksueel. Wie zou er met haar naar bed willen?’
‘Vooral omdat ze het waarschijnlijk in haar dagplanner zet: voorspel van negen uur tot vijf over negen. Penetratie van zes over negen tot twaalf over negen,’ giechelde de collega.
‘En pech gehad als de man dan nog niet klaar is,’ zei de assistente. ‘Ze schrijft waarschijnlijk een beoordelingsverslag en zal hem zeggen dat hij aan zijn efficiëntie moet werken. Hé, zullen we morgen samen lunchen? Misschien zal ik deze keer ook daadwerkelijk kunnen eten.’
‘Ik denk dat ik wel een gaatje heb van vier over twaalf tot zestien over twaalf,’ zei de collega lachend toen ze de deur achter zich dichttrokken.
Ik bleef zitten waar ik zat, durfde me nog steeds niet te verroeren. Ik was me er niet van bewust geweest dat ik mijn adem had ingehouden, en toen ik eindelijk uitademde, echode het tegen de betegelde muren van mijn hokje.
Oké, ze haatten mevrouw Givens dus. Maar welke medewerker haatte zijn baas niet? En oké, mevrouw Givens was dus een controlfreak. En een workaholic. Hoe had ze anders de top kunnen bereiken? Ze waren waarschijnlijk gewoon jaloers op haar hoekkantoor en dure levensstijl.
Wat gaf het dat mevrouw Givens een veeleisende baas was? Daar kon ik wel mee omgaan; ik werd er niet bang van. Ze zou toch niets aan mij kunnen ontdekken om kritiek op te hebben. Ik nam geen vrij voor persoonlijke zaken en ik was er nooit voor teruggeschrokken om over te werken of in het weekend terug te komen. Dat deed ik zelfs vrijwillig. In New York had mijn eerste baas zelfs gezegd dat ik meer van mijn verlofuren op moest nemen in plaats van ze altijd uit te laten betalen.
Mijn handen waren bezweet en mijn vingers gleden van het slot toen ik de deur van mijn toilethokje open probeerde te krijgen. Ik rommelde nog een keer aan het slot omdat de muren van het hokje begonnen te draaien en op me afkwamen. Ineens werd ik overvallen door een heftige claustrofobische aanval. Wegwezen, schreeuwden mijn hersens. Ik probeerde lucht binnen te krijgen terwijl ik met mijn schouder tegen de deur duwde. Eindelijk besefte ik dat ik moest trekken om hem open te krijgen. Ik stormde het hokje uit en mijn benen waren zo wankel dat ik er amper op kon staan.
Ik moest mezelf herpakken, en snel, voordat er iemand binnenkwam en mijn wilde blik en trillende benen zag. Ik liep naar de wasbak, deed koud water op een papieren doekje en depte er mijn voorhoofd en wangen mee. Ik haalde langzaam adem en dwong mijn lichaam om te kalmeren.
Mijn claustrofobie was aangewakkerd door overgebleven zenuwen van het sollicitatiegesprek, zei ik tegen mezelf terwijl ik de kraan weer aanzette om mijn bevende handen te wassen. Er was geen reden om er meer van te maken dan het was, om de situatie te analyseren en een overhaast oordeel te vormen, zoals Matt altijd zo graag deed.
Ja, ik wilde over tien jaar op de plek van mevrouw Givens zitten. Maar dat betekende niet dat ik net zoals haar zou zijn. Ik wilde niet zo’n steriel, eenzaam leven. En dat zou ik niet laten gebeuren ook, verzekerde ik mezelf terwijl ik mijn trillende kin nog verder naar voren stak. Er waren genoeg vrouwen die een balans vonden tussen werk en gezin. Genoeg succesvolle vrouwen die rijke, bevredigende privélevens hadden. Ik duwde het zeurderige stemmetje weg dat zich afvroeg hoe ik ook maar de tijd zou moeten vinden om een kind te krijgen, een gezin, als ik niet eens een weekendje van kantoor weg kon.
Ik had mezelf er bijna van overtuigd dat alles goed zou komen, toen ik naar mijn handen keek. Die was ik nog steeds compulsief aan het wassen.